Beleidsverklaring vanuit het sociaal-artistieke werkveld

22 mrt

Beleidsverklaring vanuit het sociaal-artistieke werkveld
Beleidsdebat ENTER-festival dinsdag 20 maart 2012

Geachte Mevrouw De Minister en beste beleidsmakers,

De sociaal-artistieke organisaties en projecten zijn bijzonder verheugd dat u hier aanwezig bent vandaag en bereid bent te debatteren over de waarde van kunst en cultuur in het algemeen en de toegevoegde waarde van sociaal-artistiek werk in het bijzonder. Om het debat voornamelijk wat dit laatste betreft te stofferen, schreven we een beleidsverklaring die zegt waar het op staat. Een taak die door sommigen met plezier aan drie vrouwen werd gegeven.

De specifieke meerwaarde van sociaal-artistiek werk in maatschappelijk opzicht is zeer eenvoudig. Sociaal-artistiek werk heeft een meerwaarde als methodiek en als beweging. Als methodiek is de meerwaarde dat mensen worden aangesproken op hun verbeelding en hun talenten. Vanuit dit methodisch perspectief kunnen we met een boutade stellen dat sociaal-artistiek werk de kunst maximaal uitbuit, ze dient immers niet ter verheerlijking van zichzelf, wel tot het creëren van een meer sociaal rechtvaardige wereld. Maar naast inzetbaar ‘instrument’ is kunst voor sociaal-artistiek werk ook de arena zelf waarbinnen een sociale strijd wordt uitgevochten om erkenning en symbolen. Dit is de betekenis van sociaal-artistiek werk of ‘community arts’ als internationale beweging, een beweging met als maatschappelijke meerwaarde dat ze opkomt voor de symbolen en leefwerelden van groepen mensen die geen kans maken in de middenklasse-blanke wereld van de kunsten. Sociaal-artistiek werk als beweging dus is kind van de sociale strijd, maar verplaatst deze strijd naar de kunsten en verrijkt zodoende de kunstenwereld zelf.

Kortom, we willen het beleidsmatig kader allerminst in vraag stellen, maar we stellen ons wel de vraag ‘mag het iets meer zijn?’. En met iets ‘meer’ bedoelen we: meer beleidsvisie, meer symbolische erkenning door het beleid, en meer subsidies.

We stellen immers vast dat sociaal-artistiek werk nagenoeg niet vernoemd wordt in de beleidsnota en de beleidsbrieven cultuur, en al evenmin in tal van zijdelingse beleidsdocumenten zoals de recente nota ‘Groeien in cultuur’. En dit terwijl heel wat sociaal-artistieke werkingen, al dan niet erkend met subsidies, opereren op de brug tussen kunsteducatie en kunstcreatie. In het Kunstendecreet heeft sociaal-artistiek werk wél een plek, maar -laten we eerlijk zijn- groot is die plek niet. De beperkte beleidsvisie en de schrale subsidies hebben verstrekkende gevolgen: er is nagenoeg geen documentering van en onderzoek naar sociaal-artistiek werk mogelijk, we kunnen onvoldoende professionaliseren als werkveld, en we missen al jaren de boot van internationale uitwisseling met community arts netwerken op Europese en wereldschaal. Vlaanderen is voor sociaal-artistiek werk géén topregio. Als we al een ranking hebben, dan zal Standard & Poor’s deze ongetwijfeld verlagen zodra ze onze situatie grondig onder de loep nemen.

Tot zover de probleemschets, en voor de duidelijkheid: de situatie is ernstig, maar niet hopeloos. We hopen op betere tijden, op meer visie en op een betere afstemming tussen beleidsretoriek en beleidspraktijk. En hoe zien we deze hoop dan? Wat is belangrijk voor de toekomst van de sociaal-artistieke praktijk?

Ten eerste pleiten we voor de erkenning van het fundamentele belang van het artistieke perspectief binnen sociaal-artistiek werk. Er is al heel wat geschreven en vanavond ook reeds gezegd over de kracht van verbeelding. Beuys1 zag in creativiteit het fundament van de mens dat hem tot een autonoom en vrij wezen maakt. Hij benadrukte de noodzaak van het ontwikkelen van een creatieve samenleving en het belang van collectieve werk- en leerruimtes waarin mensen hun creatieve kracht kunnen ontdekken en zo hun wereld en hun leven herscheppen en herdenken.

Dit sluit perfect aan bij de visie van Schiller2, waarin de esthetisch spelende mens als oplossing werd gezien voor het falen van onze samenleving –in zijn tijd de context van de Franse revolutie, maar zijn visie boet vandaag niet in aan relevantie. We leven in een tijd van nuttigheidsdenken, effectmetingen, strategische planningen en een grote resultaatsgerichtheid in alles wat we doen. Maar dit teleologische ingenieursdenken zal het niet halen van de complexiteit van de samenleving, waarin zeer veel factoren onvoorspelbaar zijn. Het artistieke perspectief kan hier voor een essentieel tegengewicht zorgen, en de veerkracht van zowel burger als samenleving vergroten.

En laat dit net het doel zijn van de sociaal-artistieke praktijk. Het geeft een stem aan kwetsbare burgers, via een niet-talige vorm. Hun perspectief en leefwereld is tot op heden ondervertegenwoordigd in de kunsten, en daarom is het essentieel dat sociaal-artistiek werk deel uitmaakt van het kunstenveld: omdat het de kunsten verrijkt, diverser maakt, en dus bijdraagt aan hun maatschappelijke legitimering. Daarmee is niet gezegd dat enkel sociaal-artistiek werk deze verantwoordelijkheid draagt, maar wel dat sociaal-artistiek werk de hele kunstensector kan inspireren om meer duurzame verbindingen aan te gaan met de samenleving in haar complexiteit.

Ten tweede pleiten we voor de erkenning van de inbedding van sociaal-artistiek werk binnen een brede sociale strijd en emancipatiebeweging. Er werd vandaag reeds op gewezen dat de sociaal-artistieke praktijken ontstaan zijn vanuit een reactie vanwege een middenveld ten aanzien van een doorgeschoten autonoom kunstenveld, en deel moeten blijven van de geschiedenis van de emancipatiebewegingen. Dit onderschrijven we, en hier valt zelfs meer over te zeggen: toen deze artistieke praktijken vanaf de jaren ’90 opgang maakten, had dit ook alles te maken met een verzanding van het geprofessionaliseerde sociaal-culturele werkveld dat met haar geïnstitutionaliseerde werkvormen langzaam aan verdween als motor in de radicale bevraging van en de actieve strijd rond nieuwe sociale, economische, ecologische, territoriale en politieke uitdagingen van de 21e eeuw. De sociaal-artistieke spelers zijn allen bewogen door een diep verlangen van transformatie van de samenleving, richting meer gelijkheid en duurzaamheid. Ze doen dit, in tegenstelling tot de sociaal-culturele spelers, vertrekkend vanuit een doorgedreven confrontatie met de samenleving in haar diversiteit en complexiteit, en zonder de ambitie om die complexiteit te reduceren.

In veel sociaal-artistieke projecten is het opzetten van collectieve en participatieve processen dan ook een cruciaal gegeven, aangezien ze verplichten om samen met anderen te definiëren wat dat gedeelde project precies inhoudt, om confrontaties aan te gaan doorheen het verschil in achtergronden, referenties, competenties, meningen en zienswijzen, om over de eigen grenzen te gaan en gedeelde oplossingen te verbeelden. Geen gemakkelijke zaak, want het gaat in deze ook om het ontleren van een doorgedreven individualisme en het doorbreken van heersende dominante machtsposities.

Deze processen hebben de ambitie om daadwerkelijke transformatieprocessen te zijn. Het gaat niet om representatiekunst, noch om sociaal-culturele animatie. Wel om kunstpraktijken die gesitueerd zijn, die vanuit een leefplek of een concrete situatie of groep vertrekken. De complexe realiteit van het leven maakt inherent deel uit van het creatieproces en het artistieke resultaat. De sociaal-artistieke praktijken gaan bijgevolg graag op zoek naar verbindingen, transversaliteit en samenwerking.

Ten derde en aansluitend is het van fundamenteel belang dat sociaal-artistieke werkingen erkend worden in hun politieke betekenis, in de mens – en maatschappijbeelden die ze via hun praktijk uitdragen. Een eerste belangrijk punt hierin is dat sociaal-artistieke werkingen opkomen voor meer kansen tot kunstparticipatie voor de meest kwetsbare mensen in onze samenleving, maar uiteraard gaat dit samen met het bestrijden van structurele uitsluitingsmechanismen die interfereren met ongelijke kansen op kunstbeleving en -creatie. Het zou maar wat pervers zijn indien we een cesuur zouden leggen tussen ons engagement voor kwetsbare mensen inzake kunst en cultuur, en het opkomen voor betere kansen inzake onderwijs, tewerkstelling, huisvesting, en andere sociale domeinen. We herinneren er dan ook graag aan dat “het recht op cultuur” een sociaal grondrecht is en in die zin niet op zichzelf staat, maar ingebed is in een bredere maatschappij-organisatie.

Aansluitend is het evident dat sociaal-artistieke werkingen vaak verbindingen leggen tussen verschillende beleidssectoren – tussen cultuur en onderwijs, welzijn, sociale economie, enzoverder. En dit moeten ze kunnen doen, ook wanneer ze betoelaagd worden vanuit het Kunstendecreet. In het verleden kwam het wel eens voor dat een sociaal-artistiek project werd afgekeurd omdat het niet enkel sociaal-artistiek maar ook sociaal-economisch is. Waarom kan er vanuit een kunstenkader niet meervoudig gedacht worden? Een project kan op de beide sectoren scoren, en mag niet in de ene sector afgekeurd worden omdat het ook wat heeft van de andere sector.

Ten vierde is de vraag hoe we voorgaande punten graag vertaald zien in het Vlaams cultuurbeleid. Want we zijn hoopvol: op elk potje past een dekseltje. Voor het sociaal-artistieke werkveld is dat het Kunstendecreet. En daar zijn we blij mee. Want het is een heldere keuze om de kunsten diverser te maken. Het laat toe om als sociaal-artistieke organisatie een structurele en professionele werking uit te bouwen en hoog in te zetten op artistieke kwaliteit.

Maar dit dekseltje van het Kunstendecreet klemt toch enigszins. In de eerste plaats omdat de drempel om structureel erkend te worden én te blijven als sociaal-artistieke werking hoog is. Men moet heel wat planlast torsen om zich staande te houden binnen het Kunstendecreet, wat op zich een redelijke eis is, maar deze dossiers mogen niet de enige toetssteen zijn voor de beoordeling. Een dossier is de spiegel van een praktijk, in deze volgorde, en dus zou de relevantie van een sociaal-artistieke werking prioriteit moeten krijgen op de uitmuntendheid van een dossier. Ook zou het vruchtbaar zijn voor de sociaal-artistieke praktijk mochten adviezen gebaseerd zijn op expertise én een constructieve houding: we verwachten van een beoordelingscommissie dat ze het werkveld kent en zich opstelt als pleitbezorger ervan. Op die manier voelen organisaties zich erkend en ondersteund, en krijgen goesting om het beter te doen.

Een tweede heikel punt zijn de beperkte middelen voor sociaal-artistiek werk binnen het Kunstendecreet. In 2010 vertegenwoordigde de sociaal-artistieke sector 3% van de totale subsidies binnen het Kunstendecreet: 12 structurele werkingen worden erkend voor een totaalbedrag van 2.855.000 euro, 8 projecten krijgen in totaal 168.000 euro. Om dit even in perspectief te plaatsen: een hele subsector krijgt ongeveer evenveel middelen als de jaarwerking van Musical van Vlaanderen of het Concertgebouw in Brugge. Dit is dus peanuts, zeker in tijden waarin de beleidsretoriek met betrekking tot kunst bulkt van termen als ‘maatschappelijke inbedding’, ‘participatie’, ‘samenwerking met andere sectoren’, en ‘diversiteit van het aanbod’. Is het immers niet vooral in die praktijken die volgens de heersende marklogic a’s niet rendabel zijn maar een hoge maatschappelijke meerwaarde creëren dat een overheid met haar subsidiebeleid moet tussenkomen?

Ten derde vinden we het belangrijk dat de meervoudigheid van sociaal-artistiek werk als praktijk behouden blijft: het Kunstendecreet is in deze maar één perspectief van de vele. Vanuit deze meervoudigheid is afstemming wenselijk tussen sociaal-artistiek werk binnen het Kunstendecreet en de sociaal-artistieke projecten binnen het Participatiedecreet. De praktijk leert dat hier een ‘watervalsysteem’ werkzaam is, wat niet bevorderlijk is voor de eigen kracht van beide insteken. Ook kan sociaal-artistiek werk nog aan kracht winnen binnen de decreten van het Lokaal Cultuurbeleid, Erfgoed en Amateurkunsten. En zoals reeds aangegeven pleiten we er ook met klem voor dat vanuit het cultuurbeleid in het algemeen en vanuit de kunsten in het bijzonder, sectoroverschrijdend gedacht en gewerkt wordt richting sectoren als sociale economie, integratie, onderwijs en welzijn. Zeker vanuit de positie van kansengroepen is dit absoluut noodzakelijk, en het wordt met de dag urgenter.

Samengevat, wij pleiten ervoor dat de grote diversiteit aan sociaal-artistieke praktijken vandaag, en de inspanningen die hier gebeuren om kunst en cultuur divers en toegankelijk te maken, volwaardig erkend en ondersteund worden door de overheid. Door het sociaal-artistieke te benoemen in de beleidsdocumenten. Door meer ademruimte te creëren binnen het Kunstendecreet. Door constructief en transversaal na te denken over aanvullende maatregelen binnen cultuur en andere sectoren. En door documentatie, onderzoek en ondersteuning te voorzien voor deze sector zodat Vlaanderen internationaal meetelt op dit gebied.
Net in tijden van besparing vragen wij de Minister om sterke keuzes te maken en die te vertalen naar de praktijk.

Dankuwel.

“Sociaal en artistiek gedebiteerd” door Myriam Stoffen (Zinneke), Ann De Bisschop (Demos) en Veerle De Schrijver (Platform-K), als inleid(st)ers op het Beleidsdebat “De waarde van kunst en cultuur – Over de plaats van het sociaalartistieke in het cultuurbeleid” – 20 maart 12 – “Bij de Vieze Gasten”

1 De Kesel, M. (1994). Een academie voor creatieve verrijzenis. In: De Witte Raaf, editie 50.

2 Schiller, F. (2009). Brieven over de esthetische opvoeding van de mens.