[REPO] In De Schaduw – Beleidsdebat

23 mrt

Dinsdag,19.17 uur.

Ik sta voor de spiegel en draai de mengkraan van de toilettafel open, koud water vloeit langs mijn vingers. De tandpasta rolt uit de tube, de muntsmaak verfrist en wekt me wat op. Ik vorm een kuiltje met mijn handen, met het gevormd meertje spoel ik mijn mond en drijf de vermoeidheid uit mijn ogen. “Zou ik niet thuisblijven, wat heb ik daar in hemelsnaam te zoeken”, denk ik luidop. Zonder veel enthousiasme kam ik mijn haren en trek een fris hemd aan.

Een half uur later sta ik bij De Vieze Gasten, zet mijn fiets op slot en sla een praatje met wat bekenden. Terwijl ik een glas drink wil een rondbuikige man met wit hemd en blauwe stropdas mijn gezelschap vervoegen. Hij groet ons, en wat stotterend zegt hij: “Al goed dat het goed weer is”. Ik kijk de man vragend aan en antwoord: “Is het dan buiten te doen misschien?” waarna het heerschap ons de rug toekeert en ergens anders zijn geluk beproeft.

Enkele ogenblikken later vraagt een jonge dame ieders aandacht: “Het debat gaat zo dadelijk beginnen”, zegt ze. “Het kan misschien boeiend worden”, denk ik, de mensen van het sociaalartistieke gebeuren krijgen niet alle dagen de kans om bij de minister van Cultuur hun noden en wensen aan te kaarten en kracht bij te zetten.

De zaal zit vol, en ik moet al goed kijken om een zitplaats te vinden. Een vriendelijke dame op de vierde rij is bereid om haar schoudertas weg te nemen en ik zet me op de vrijgekomen plaats. De zaal wordt verduisterd en een bekende journaliste van de televisie opent het gebeuren. “Een goede avond”, groet ze ieder aanwezig. “Wie van jullie is de oudste in de zaal?” Er komt geen reactie. “Er moet toch iemand de oudste zijn?”, vraagt ze opnieuw en een grijs kalende man op de eerste rij steekt nu schuchter zijn vinger op.

“Aha, daar is hij. En hoe oud bent u meneer?” Waarop deze antwoordt: “Zesenzestig”.

“Zesenzestig, en wie mag de jongste dan wel zijn?” Tientallen mensen steken hun vinger in de lucht, na een korte aftelronde blijkt een meisje van eenentwintig de jongste deerne te zijn.

“Wie van jullie heeft ooit aan een sociaal artistiek project meegewerkt?” Bijna de hele zaal reageert, “dat is duidelijk meer dan de helft. Dan mag ik nu de eerste spreker aankondigen, de heer…”.  Een vent met donker haar tot over zijn schouders stapt onverschrokken het podium op. Als de man aan zijn spreekbeurt begint lijkt hij door iets gehinderd, na iedere zin verschuift hij zijn tekstblad van links naar rechts, tot hij het beu wordt en tot achterin de zaal roept: “Kan er wat licht zijn alsjeblieft, ik zie hier geen steek!” Ogenblikkelijk wordt het zaakje uitgeklaard en zet de spreker zijn handeling voort. Hij heeft het over de kunstensector en hoe stiefmoederlijk het sociaalartistieke deel vaak behandeld wordt, waarna hij wat prominenten verwijten naar het hoofd slingert en ongeveer eindigt met de woorden: “Ja, jullie mogen het allemaal weten, ik ben een communist!”

Na deze vurige toespraak kijk ik geboeid uit naar de volgende spreker. Die man heeft eerder kort haar en draagt een wijze bril. Hij schuift de historie, of de strijd van de Vlaamse kunsten naar voor omdat volgens hem de jongeren van vandaag daar helemaal niets meer vanaf weten. Na enkele minuten dringt het tot me door waarom de jongeren die stof niet meester zijn. Deze man met een duidelijk Hollands accent, spreekt op zo een monotone wijze dat het voor mij gelijk staat met een eucharistieviering op een blauwe zondagmorgen. Na tien minuten wist ik al niet meer waarover die Nederlander het had, mijn aandacht gaat al snel naar de dame die in een donkere hoek naast het podium staat.

Keer op keer dat ik in haar richting kijk wendt ze haar hoofd af, ik veronderstel dat ze één van de volgende sprekers moet zijn en daarom doe ik mijn best om de professor geschiedenis wat meer aandacht te schenken. Na tien tergende minuten is hij eindelijk klaar. Het woord gaat nu naar drie dames, elk van hen draagt een grote rode bloem in warrig opgestoken haar. Met hun rock ‘n’ roll-loze Janis Joplin outfit brengen ze elk om beurt een gedeelte tekst in drievoud, waardoor ik al snel geïrriteerd raak. Gelukkig zorgt een jonge kerel voor wat vertier door hip-hop-disco beats door de microfoon te stampen om het eerste deel af te ronden.

Ik heb er genoeg van en begeef me naar de uitgang. Een tiental minuten later ben ik thuis, trek mijn jas uit en zet ik de radio op. ‘Standing in the shadow’ van de Rolling Stones klinkt uit de speaker, misschien de volgende keer, Mick.

 

Pat.V